Bier in Nederland

Bier in Nederland

zaterdag 28 mei 2016

Dossier Nederlandse abdijbieren (4: Abdijbieren van verdwenen Nederlandse abdijen)

Dit dossier beschrijft de Nederlandse abdijbieren, hun context en hun herkomst en prikt enkele mythen door. Want hoe jong de Nederlandse abdijbieren ook mogen zijn – die mythen zijn er al, net als onder de Belgische. Benamingen, etiketten en  publiciteitsmiddelen geven aanleiding tot verwarring en zijn soms onjuist of zelfs misleidend. Andere abdijbieren verdienen juist respect, want er is kaf maar ook koren onder de Nederlandse abdijbieren. En hoe!

Aflevering 4: Abdijbieren van verdwenen Nederlandse abdijen.

In 1980 namen de trappisten van Onze Lieve Vrouwe van Koningshoeven in Berkel-Enschot zelf de roerstok weer ter hand. Ze kwamen daarna ook niet meer met ondergistend bier (daar was toch al genoeg van), maar brachten een tripel van 7 procent alcohol op de markt. Dat voorzichtige begin was een van de ijkpunten van het 'nieuwe brouwen' in Nederland, samen met de niet ver weg gelegen Arcener Bierbrouwerij. Tegenwoordig floreert de Berkelse trappistenbrouwerij als nooit te voren en komen daar allerlei biersoorten van het merk La Trappe uit. En sinds 2013 is er ook weer een tweede Nederlandse trappistenbrouwerij, in Zundert. Ten overvloede: wat zij brouwen zijn trappistenbieren, geen abdijbieren.

Nederlandse abdijbieren
Maar die kwamen er ook. Sinds de introductie van het eerste La Trappe is de biercultuur in Nederland enorm gegroeid. Tegenwoordig omvat die naast de twee trappistenbrouwerijen ook abdijbieren en kloosterbieren – net als in België! Meer nog: er is een echte kloosterbrouwerij – binnen kloostermuren – bijgekomen en er wordt gewerkt aan twee brouwerijen binnen abdijmuren.
Op het gevaar af dat de waarheid morgen achterhaald wordt (heel gewoon in deze biertijden): er bestaan tien merken abdij- of kloosterbier. Daarmee bedoel ik: bieren met die aanduiding op het etiket. De meeste dragen ook gewijde namen, in alfabetische volgorde: Agnietenbier, (Abdij van) Berne, Bonifacius, Capucijn, Gerardus, Haagse Broeder, Kruisheren, Paulus, Rolduc en Sancti Adalberti. (Klik voor een grotere kaart met hun namen en situering.)


'Verdwenen abdij'-bieren
Vijf van deze bieren verwijzen naar een verdwenen abdij of klooster uit het verleden: Capucijn, Paulus, Agnietenbier, Rolduc en Kruisherenbier. Van de drie eerstgenoemde zijn zelfs de gebouwen in hun geheel verdwenen.

Capucijn (Budelse Bierbrouwerij) bestaat sinds 1985 en is het oudste hedendaagse abdijbier uit Nederland. Strikt genomen kan het overigens geen abdijbier zijn: de kapucijnen waren een kloosterorde. Eigenlijk is het dus een kloosterbier. De naam verwijst naar kapucijnen die van 1882 tot 1891 in een klooster in het Brabantse dorp waren gevestigd. Dit bestaat dus niet meer en diende de brouwerij louter ter inspiratie en naamgeving. ‘Met toewijding gebrouwen ter ere van de Franse Capucijnen in Budel,’ aldus de brouwerij op zijn site. Capucijn is een typische dubbel: bovengistend, donker en met 6,5 procent alcohol.

Paulus (brouwerij De Leckere, Utrecht) bestaat sinds 2007. De naam is die van de Paulusabdij in Utrecht, een benedictijnerabdij die van de 11e tot en met de 16e eeuw heeft bestaan.
In 2008 verhuisde het Utrechts Archief naar de voormalige locatie van dit rond 1800 afgebroken abdijcomplex. In de aanloop naar deze verhuizing werd een tentoonstelling opgezet. Tijdens de voorbereidingen daarvoor dook een oud document uit de abdij op met bieringrediënten en hulpmiddelen: ‘een brauwketel, drije cuijpen, 9 mud mouts, drye mud garsten, twee manden daer men die garts mede draecht, een houten schup, omtrent ses last havers...’. Brouwerij De Leckere brouwde met deze inspiratiebron, en ter gelegenheid van de tentoonstelling, het troebele, lichtblonde bovengistende bier Paulus, met gerst, tarwe, haver en hop, en met 7,5 procent alcohol.

De Paulusabdij vroeger
Tegenwoordig staat er op het etiket van Paulus, opvallend genoeg, ‘organic koyt’. Die aanduiding verwijst naar het vijftiende-eeuwse kuit, een Hollandse biersoort die voor de helft of meer uit haver en daarnaast uit gerst en tarwe werd gebrouwen. Deze aanduiding is niet onlogisch. Het document wekt namelijk op zijn minst de indruk dat de Paulusabdij destijds ook een soort kuit brouwde.
Een last was 25 mud, dus dit bier zou zijn gebrouwen met 150 mud haver, 9 mud mout (vermoedelijk gerstemout) en 3 mud gerst (wellicht ongemout). Dat zou in totaal neerkomen op 92 procent haver en de rest gerst. Het klinkt gek, maar dat is het niet helemaal. Utrecht schreef in 1433 voor om kuit te brouwen uit slechts twee granen: haver en gerst – net als in dit document. (Daarmee was Utrecht overigens een buitenbeentje: in alle andere steden ging er ook tarwe in kuit.) Het havergehalte in dat Utrechtse stadsvoorschrift was bovendien hoog: 75 procent. En ook de Paulusabdij liet in elk geval zeer grote hoeveelheden haver aanrukken voor zijn bier.
De belangrijkste vaststelling na het bovenstaande is natuurlijk dat Paulus daadwerkelijk is gebaseerd op historisch bier; op een abdijbier waar nog gegevens over bestaan. Dat is meer dan van nagenoeg alle commerciële abdijbieren kan worden gezegd. Paulus is geen flauwekulbier en ook geen louter moderne creatie. Dit gegeven verleent het meer status dan de andere twee bieren die naar een verdwenen abdijbierverleden verwijzen, het al genoemde Capucijn en Agnietenbier.

Agnietenbier (brouwerij Hettinga, Zwolle) bestaat sinds 2011. De naam is ontleend aan het verdwenen Agnietenklooster te Zwolle, waar de schrijver, mysticus en augustijner monnik Thomas a Kempis (1380-1472) leefde. Zijn beeltenis, en die van een oud landschapsschilderij met het klooster (onder), sieren het etiket van Agnietenbier. Dat wordt overigens heel correct als kloosterbier aangeduid, niet als abdijbier.
Het Historisch Centrum Overijssel hield eind 2011 een tentoonstelling over de Moderne Devotie en liet bij die gelegenheid dit bier brouwen, als extra publiciteitsmiddel uiteraard. Die informatie is wel terug te vinden, maar niet op de hedendaagse etiketten. Het bier zelf is een hedendaagse creatie van Hettinga, gebrouwen met gevitaliseerd (?) water, goudgeel van kleur, ongefilterd en met 5,5 procent alcohol. Daarmee is het een typisch 'blond bier'.

Ex-abdijen
Twee andere Nederlandse abdij- en kloosterbieren zijn verbonden met een abdij waarvan alleen de gebouwen nog bestaan. Beide fungeren niet meer als abdij: Rolduc en Kruisheren. En alsof de duvel ermee speelt is er bij beide nogal wat aan te merken op naam, identiteit en publiciteit.

Rolduc (Proefbrouwerij, Lochristi) bestaat sinds 2002. De naam verwijst uiteraard naar de in 1796 gesloten abdij van augustijner koorheren Rolduc, nabij Kerkrade, waarvan de gebouwen nog altijd bestaan. Tegenwoordig huisvesten ze een conferentieoord en horeca.
Ooit vond men in oude verslagen vermelding van een bierbrouwerij in Rolduc in 1146. Kennelijk ontstond toen het idee een ‘eigen kloosterbier’ (bedoeld moet zijn: abdijbier) te laten maken. De baten ervan vloeien naar Rolduc, dat bezwaarlijk nog voor een klooster of abdij kan doorgaan. Daarmee wordt het Belgische 'royalty's'-idee dus op puur commerciële wijze toegepast. De vermelding 'abdijbier' op etiket en glas draait de consument een rad voor ogen: Rolduc is een middel van inkomsten voor een bedrijf, maar geen 'abdijbier'. Zoals al eerder opgemerkt: verzinsels zijn nu eenmaal niet strafbaar. Het begrip 'abdijbier' kent ook geen enkele wettelijke bescherming.
Rolduc is een goudgele tripel met 8 procent alcohol, volgens de website van het bedrijf ‘gebrouwen volgens eeuwenoude traditie’. Dat is baarlijke nonsens. Heel wat reëler is wat men elders schrijft: ‘Destijds was het drinken van bier, dat overigens niet te vergelijken is met de bieren van tegenwoordig, gezonder dan het drinken van water, aangezien bier een kookproces had doorgemaakt en derhalve vele schadelijke bacteriën gedood waren.’ En dat zal met het oog op het gebruik als dagelijkse drank beslist geen bier van 8 procent zijn geweest, maar eerder iets van 2 tot 4 procent.

De Kruisheren-bieren (Groninger Bierbrouwerij) bestaan sinds 2005. Ze verwijzen naar het Kruisherenklooster te Ter Apel, dat tegenwoordig een Museum voor Klooster- en Kerkgeschiedenis & Religieuze Kunst huisvest.
Sinds 1465 werd er in dit voormalige klooster bier gebrouwen. Op de website van het voormalige klooster schrijft men over brouwende monniken die vanaf de Middeleeuwen ‘op ambachtelijke wijze altijd geurige, smakelijke bieren gebrouwen’ hebben. Waar men die kennis vandaan heeft, wordt er helaas niet bij verteld. Het kan nog absurdistischer. Ze (de monniken) ‘doen dat [geurige, smakelijke bieren brouwen] nu nog altijd, getuige de Kruisheren Klooster Ter Apel Bieren’, aldus nog altijd de website. Complete onzin: in Ter Apel huizen geen monniken meer, laat staan brouwende. Dat is op de website trouwens gewoon terug te vinden, dus hier is iemand het spoor flink bijster geraakt.
Klooster Ter Apel wordt bestuurd door een stichting met nobele doelen: de instandhouding van het complex en het museum. Daarvoor fungeert het onder meer als galerie, concertpodium, vergaderlocatie en huwelijkslocatie. Ook de verkoop van bier kan daar inkomsten voor genereren.
Volgens de website worden deze Kruisherenbieren ‘in België en Duitsland volgens verfijnde receptuur gebrouwen’. Daar worden ze ‘in licentie gebrouwen door de Groningse Brouwerij’. Inderdaad staan ze allemaal op de website van die brouwerij: pilsener, blond, rosébier, herfstbock, winterbock, dubbel, tripel en quadrupel en een Jubileumbier. De brouwerij zelf zwijgt overigens in alle toonaarden over de kloosterlijke connecties of inhoud.
De Groninger Brouwerij is een huurbrouwer, die de Kruisheren-bieren aanvankelijk in Duitsland brouwde. Sinds het faillissement en de doorstart van de brouwerij in 2012 gebeurde dat ergens in België. Tegenwoordig brouwt de Groningse in Duitsland en bij de Sallandse Bierbrouwerij, maar onduidelijk is waar de Kruisherenbieren precies worden gemaakt. De recepten zijn door de brouwerij zelf ontwikkeld.



Klik verder of terug naar:

Startpagina

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen