Bier in Nederland

Bier in Nederland

zaterdag 28 mei 2016

Dossier Nederlandse abdijbieren (3: Abdijbieren in Nederland vroeger)

Dit dossier beschrijft de Nederlandse abdijbieren, hun context en hun herkomst en prikt enkele mythen door. Want hoe jong de Nederlandse abdijbieren ook mogen zijn – die mythen zijn er al, net als onder de Belgische. Benamingen, etiketten en  publiciteitsmiddelen geven geven aanleiding tot verwarring en zijn soms onjuist of zelfs misleidend. Andere abdijbieren verdienen juist respect, want er is kaf maar ook koren onder de Nederlandse abdijbieren. En hoe!

Aflevering 3: Abdijbieren in Nederland vroeger.

Brouwende abdijen zitten om een of andere reden in ons collectieve bierbewustzijn. Ze staan min of meer bekend als belangrijk in de brouwhistorie. Dat heeft zoals gezegd waarschijnlijk te maken met die populaire trappistenbieren, of met de bekende Duitse kloosterbrouwerijen. In de Nederlandse biergeschiedenis hebben ze in werkelijkheid nooit een rol van betekenis gespeeld.
Vanaf de dertiende eeuw was bier in het graafschap en/of hertogdom Holland een product van professionele brouwers in de steden. Daar werden toen vrij harde regels ontwikkeld voor de bierproductie. Om die reden besteed ik in Bier in Nederland. Een biografie ook slechts zijdelings aandacht aan abdijbier. Het nu volgende is te beschouwen als een beknopte aanvulling op het boek.

Brouwende monniken
Er zijn beslist talloze Nederlandse abdijen geweest die hebben gebrouwen. Alleen komen ze in stukken of publicaties rond bier en biersoorten niet of nauwelijks voor. Ze brouwden namelijk vooral voor zichzelf, voor reizigers en pelgrims en voor zieken en behoeftigen (in plaats van drinkwater). Het laat zich raden dat dat vooral relatief lichte bieren waren. Kwamen er in de benedictijnerabdij te Dikninge, in Drenthe, voorname gasten, dan werd voor hen in Meppel Hamburger bier gehaald. Dat was al sinds het einde van de veertiende eeuw een geliefd maar duur luxebier. Het eenvoudige eigen abdijbier werd duidelijk niet geschikt bevonden voor zo'n ‘ontvangst’.

Enkele brouwende abdijen (vanaf de zestiende eeuw) in Nederland:

Mariënweerd
·         de abdij van Berne bij Heeswijk;
·         de cisterciënzerabdij Onze Lieve Vrouwenberg of Mariënberg te IJsselstein;
·         Room- of Rodenburg en Broers nabij Leiden;
·         Mariënweerd tussen Beesd en Tricht (deze bezat een eigen hoptuin);
·         de kartuizerabdij Nieuwlicht bij Utrecht.


Er waren ook brouwende kloosters:

·         dat van de Paters van Handel (kapucijnen);
Karmelietenklooster, Boxmeer
·         het vrouwenconvent Adamanshuis te Zutphen;
·         het Broederenklooster te Deventer;
·        de kloosters van de karmelietessen en van de karmelieten in Boxmeer (die ook eigen hop verbouwden, en bier brouwden uit tarwe, gerst en haver dat ‘behoefde voor geen Brusselse Faro te wijken!’, aldus Twan Dohmen in Het ruikt hier naar karamel, een snoepjeslucht);
·        het convent Jeruzalem in Gerkesklooster, Friesland (de afbeelding hieronder is van het enig overgebleven kloostergebouw - nota bene het vroegere brouwhuis).

Wereldse strapatsen
Bij dat laatste klooster kocht men af en toe ook extra bier in. Uit de geschiedenis van deze inkoop blijkt dat niets menselijks de kloosterlingen vreemd was. De ‘Conventialen van Gerkes' werden in 1558-1564 voor het gerecht gesleept wegens fraude tegen de accijnzen op wijn en bier. De gevolgen van die belastingontduiking waren soms niet mis: in 1563 molesteerde een accijnsmeester een inwoner van Visvliet ‘wegens levering van onveraccijnst bier aan het klooster’.
Het Vrouwenklooster, een ander klooster, gesticht door Gerkesklooster, maakte in 1496 een nog ernstiger gewelddaad mee door toedoen van bier. Passerende Groningers waren ontevreden over het verstrekte kloosterbier en kregen het aan de stok met een knecht. Met fatale gevolgen: de Groningers sloegen hem in de kloosterkerk dood.
Behalve door fraude kwam de kloosterlijke brouwwereld ook op andere manieren samen met de wereldse samenleving. Zo bezat Delft begin achttiende eeuw een brouwerij die Het Luykse Wapen of Het Wapen van Luijk heette. Blijkens veilingstukken was dit bedrijf met al zijn ketels en andere spullen ‘Staande en gelegen in het Spieringerklooster' nabij de Oostpoort van de stad.

Negentiende-eeuwse kloosterbrouwerijen
Over negentiende- en twintigste-eeuwse abdij- en kloosterbrouwerijen in Nederland zijn wat meer documenten overgeleverd. Zo bestonden er minstens acht brouwerijen die werden onderhouden en gebruikt door franciscaner kloosterbroeders, in Woerden (nog tot kort na de Tweede Wereldoorlog), Maastricht (nog tot 1962), Nieuwe Niedorp, Venray, Weert, Megen, Alverna-Wychen en Vorden.
De brouwerij in het klooster aan de Wagenstraat in Woerden,
waarvan het gebouw nog altijd bestaat. Het trapeziumvormige
vlak links is de stokplaat, de bovenste cirkel de brouwketel,
de cirkels daaronder de roerkuip en de lekbak
Uit archivalia in het Utrechts Archief blijkt dat ook de franciscanen alleen voor eigen gebruik brouwden, en toen vooral lichte lagerbieren. In Woerden werd het stamwortgehalte niet eens vastgesteld door de belastingambtenaren, omdat men toch alleen voor eigen gebruik brouwde. De monniken in Nieuwe Niedorp boden de bureaucratie op heel andere wijze het hoofd. Ze leverden de formulieren, overzichten van gebruikte granen, brouwbriefjes en maandstaten wel eens in met een door een monnik vervalste handtekening van de eerwaarde Gardiaan, de brouwmeester. In Nieuwe Niedorp gebruikten de kloosterlingen overigens ook tarwemout, terwijl hun collega's elders voornamelijk met gewone gerstemout brouwden
Ook de kapucijnen roerden graag in de kuipen. Leden van deze kloosterorde brouwden hun eigen bier in Langeweg (sinds 1880), Babberich (1884), Breda (1889), Tilburg (sinds 1895),’s-Hertogenbosch (1898), Handel, Helmond en Velp bij Grave. De Broeders van Maastricht hadden eveneens een brouwerij bij hun klooster de Beyart, aan de Brusselsestraat.

Trappistenbrouwers
Aan het eind van de negentiende eeuw zijn twee abdijbrouwerijen dan toch commercieel actief geworden. Naar de huidige maatstaven zouden dat erkende trappistenbrouwerijen zijn geweest: ze zaten in de cisterciënzerabdijen te Berkel-Enschot (sinds 1884) en Tegelen (sinds 1892).
Ook die brouwden overigens ondergistend bier. Het traditionele bovengistende bier moest toen steeds meer terrein prijsgeven aan het ‘nieuwe’ bier uit Beieren en Bohemen. Werden er nieuwe brouwerijen opgericht, dan begonnen die bijna zonder uitzondering direct ondergistend bier te brouwen; destijds vooral 'Beijersch', lager en pilsener. De twee nieuwe trappistenbrouwerijen vormden daar geen uitzondering op. Nederlands trappistenbier was lange tijd pilsener, bock, münchener, dortmunder en oud bruin.
Tegelen is er in 1947 mee opgehouden, en Berkel-Enschot in 1976 ook. De monniken van Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven hadden daar zoveel succes met hun ‘Schaapskooi’-brouwerij dat ze die in 1969 in licentie hadden uitbesteed aan het grote brouwconcern Artois. Dat bleek in feite overlevering aan de duivel. Artois kende geen genade toen de productie om logistieke redenen beter bleek te kunnen worden verplaatst. Het ‘Trappist’-pils kwam ineens niet meer uit Berkel-Enschot, maar uit een gewone brouwerij elders. De trappisten besloten daarop de overeenkomst met Artois in 1979 niet te verlengen. Hun bier hield op te bestaan...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen