Nederland kent dus al vrij
lang bockseizoenen. Maar tot twee keer toe is er gedurende langere tijd helemaal geen bock geweest.
Dit jaar is het precies honderd jaar geleden dat tijdens de Eerste Wereldoorlog het sterk afgeslankte 'oorlogsbier' werd verordonneerd. Dat besluit had grote gevolgen voor de Nederlandse bierwereld – én voor bock.
Voortekenen van dat oorlogsbier werden al op 3 oktober 1916 zichtbaar. Toen besloot de Bond van Nederlandsche Brouwerijen
de biertarieven aanzienlijk te verhogen, wegens de serieus
gestegen grondstofprijzen. Graan was steeds moeilijker aan te voeren door
de internationale oorlogstoestand. Nederlandse brouwerijen gebruikten op grote
schaal kwalitatief hoogstaande Donaugerst, maar deze bleef noodgedwongen in de streek van herkomst liggen (vaak zelfs al betaald). En schaarse goederen worden zoals
bekend duur; vandaar het prijsbesluit.
Elders was het niet anders. In Berlijn kwamen de brouwerijen begin 1917 overeen mout te
besparen. Daartoe namen ze een rigoureuze maatregel: geen bockbier meer
brouwen. Daar wordt immers veel mout bij gebruikt. Deze afspraak zal erin hebben gehakt bij de Berliner onder wie bock zeer geliefd was. In Beieren was
het voorgaande jaar om dezelfde reden al geen Salvator-doppelbock meer
gebrouwen.
Het
verschijnsel leidde tot wrange volkshumor in de Nederlandse pers. De Haagsche Courant serveerde op 30 juli 1917 een anekdote onder de kop 'Landelijke
eenvoud':
Vreemdeling (die in een eenzaam dorp is aangekomen): “Hebt
gij bokbier?” Herbergier (medelijdend lachend): ”Gij bedoelt zeker
geitenmelk.”
Maar
al snel daarna zou het lachen de Nederlandse bierdrinker vergaan. Ook uit
de VS kwam op den duur geen gerst meer. Voor de brouwerijen werd het steeds moeilijker om stevig, duurzaam bier te brouwen. De Bond
van Nederlandsche Brouwerijen maakte bekend dat bier dat wegens smaak- of kwaliteitsafwijkingen werd teruggestuurd niet meer werd vergoed. Men kon of wilde niet meer instaan voor de kwaliteit, tot verontwaardiging van veel betrokkenen en consumenten.
Ondertussen stokte de aanvoer van steenkool eveneens. De Bond zag zich uiteindelijk gedwongen het mes in het bier zelf te zetten. Met ingang van 13 augustus was het de brouwers alleen toegestaan twee soorten bier te vervaardigen: een lichtgekleurd ‘Luxe-bier’ [sic…] met een stamwortgehalte van maximaal 9º en een donker ‘Volksbier’ van maximaal 6º.
Ondertussen stokte de aanvoer van steenkool eveneens. De Bond zag zich uiteindelijk gedwongen het mes in het bier zelf te zetten. Met ingang van 13 augustus was het de brouwers alleen toegestaan twee soorten bier te vervaardigen: een lichtgekleurd ‘Luxe-bier’ [sic…] met een stamwortgehalte van maximaal 9º en een donker ‘Volksbier’ van maximaal 6º.
Verwaterd
De proeflokalen De Kroon in Rotterdam hielden het voortaan maar bij koffie. |
Dat was het dunne oorlogsbier waar de drinker het voortaan mee moest doen. En net als in München en Berlijn zou er in het seizoen
1917-1918 geen bockbier beschikbaar komen.
De afdeling Eindhoven van de Bond van Nederlandsche Brouwerijen probeerde de consument er nog amechtig van te overtuigen ‘dat zij evenals voorheen in alle opzichten voor de kwaliteit van het door haar geleverde bier absoluut instaat. De kleur alleen is in afwijking.’ Dat was een gotspe. Er was gewoon licht en donker bier, maar juist stamwort, alcoholpercentage en bijgevolg smaak holden achteruit. Zelfs werd dat dunne bier soms nog versneden met water, waardoor dan een alcoholpercentage van 1,5 resteerde. Sommige brouwers rommelden daarnaast met rijst, mais, tapioca en suiker in aanvulling op de beperkte hoeveelheden gerstemout. En dan waren tegelijk met de rantsoenering ook nog eens de prijzen van bier verhoogd. Het gevolg van dit alles laat zich raden. Al op 30 augustus berichtten de kranten dat de bieromzet met 75 procent verminderd was.
De afdeling Eindhoven van de Bond van Nederlandsche Brouwerijen probeerde de consument er nog amechtig van te overtuigen ‘dat zij evenals voorheen in alle opzichten voor de kwaliteit van het door haar geleverde bier absoluut instaat. De kleur alleen is in afwijking.’ Dat was een gotspe. Er was gewoon licht en donker bier, maar juist stamwort, alcoholpercentage en bijgevolg smaak holden achteruit. Zelfs werd dat dunne bier soms nog versneden met water, waardoor dan een alcoholpercentage van 1,5 resteerde. Sommige brouwers rommelden daarnaast met rijst, mais, tapioca en suiker in aanvulling op de beperkte hoeveelheden gerstemout. En dan waren tegelijk met de rantsoenering ook nog eens de prijzen van bier verhoogd. Het gevolg van dit alles laat zich raden. Al op 30 augustus berichtten de kranten dat de bieromzet met 75 procent verminderd was.
Sommigen
pleitten ervoor bier op de bon te verstrekken, of om helemaal niet meer te
brouwen en de grondstoffen voor iets belangrijkers te reserveren. Anderen
riepen op het bierdrinken te staken zolang de kwaliteit zo slecht en de prijs
zo hoog bleef - de brouwers zouden wel tot inkeer komen als hun omzet verdween.
Maar zij waren met handen en voeten gebonden aan de toestand. Gedurende de rest van de oorlog zouden de prijzen
zelfs blijven stijgen. De jaarlijkse bierconsumptie daalde uiteindelijk dramatisch: van 86,9 naar 10
liter per persoon.
Naarmate de rantsoenering langer duurde,
stopten sommige brouwerijen gewoonweg met brouwen. De andere zuchtten onder het
moutgebrek en onder het strenge toezicht dat met de rantsoenering gepaard ging. Voor sommige brouwerijen was de
toestand zelfs al snel aanleiding geweest de kranen definitief dicht te draaien, zoals ’t Spaarne in
Haarlem en de Koninklijke Halsche Stoombierbrouwerij. Vele andere volgden later,
waaronder voornoemd ’t Haantje.
Export-import
Maar het was niet allemaal kommer en kwel; en ook niet allemaal licht- en donkergrijs.
In bepaalde
regio’s gaf de maatregel een plotse impuls aan het traditionele
bovengistende bier. Dat leed al decennia onder de opkomst van
modern ondergistend Beiers, pilsener en lagerbier, maar profiteerde nu van de
wettelijke beperkingen. Veel van die vooral bruine lokale bieren waren
sowieso licht alcoholisch, zodat de nieuwe toestand weinig gevolgen had voor hun kwaliteit
en smaak. Een medewerker van het boek Het
bier en zijn brouwers die als militair in het zuiden werd gelegerd
herinnerde zich later nog dat dit ‘ietwat rinzige, koolzuurarme’ bier verrassend
smaakvol bleek te zijn. Brouwerij De Ster uit Wouw bijvoorbeeld
bleef haar ‘Oud Bruin Bier’ verkopen.
Nood maakt ook
creativiteit en slimheid in de mens los. Sommige caféhouders wisten de hand te
leggen op (waarschijnlijk zeldzame) partijen importbier. J.
Joosten-Steenkist uit Venlo adverteerde al op 28 augustus 1917 met 'Trappisten-Bier [...] ter vervanging van Duitsch Bier. Geen Oorlogsbier'. Waar
dit dan wel vandaan kwam vermeldde hij niet. Café-restaurant De l’Industrie in Tilburg wist wel aan Duits importbier te komen: een voorraadje Mainzer Aktiën Bier. Plaatsgenoot Jos. Broeckx verkocht
zelfs kortstondig pilsener van de Genossenschafts Brauerei uit Pilsen.
Elders bemachtigde
iemand Deens pilsener. In mei 1918 gebeurde dat nogmaals met een partij Tuborg die
als handelswaar voor de koloniën was geïmporteerd. Door de geblokkeerde
scheepvaart kon het niet op weg naar die bestemming. Opmerkelijk: er was wel degelijk goed bier beschikbaar, maar
handelaren gaven er de voorkeur aan dat in Indië te verkopen. Blijkbaar waren
de winstmarges daar hoger. Lukte die export niet, dan konden ze het altijd nog in
Nederland slijten.
Vrij?
De
bierwereld begon allengs ook diverse rariteiten te vertonen; een kat maakt
vreemde sprongen in het duister. Een handelaar uit Den Bosch prees op 5 september
1917 ‘ter vervanging van bier het heerlijke TIVOLI LAGER, met zijn overheerlijken
biersmaak’ aan. Blijkbaar was dat geen bier, maar een zogenoemd ersatz; zoals cichorei voor koffie. En op den duur kwam er meer in dat
genre. In februari en maart 1918 presenteerde de Amersfoortse Phoenixbrouwerij
tijdens de Jaarbeurs in Utrecht haar Malto, hetgeen volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant een
‘nagenoeg alcoholvrij bier’ was. Het is voorstelbaar dat dit met minder mout
was gebrouwen. Tezelfdertijd
bood adviesbureau D.Y. Alta her en der een procedé aan voor ‘een Ersatz voor bier, dat op
alle punten aan de eischen aan een goed glas bier’ voldeed. Wellicht ging het hier over hetzelfde product en was Phoenix de eerste brouwerij die met dit bureau in zee was gegaan.
Phoenix zelf promootte Malto op etiketten, affiches en in advertenties als ‘alcoholvrij’, maar vermeed daarbij opvallend genoeg consequent de toevoeging ‘bier’. Een handelaar uit Arnhem sprak over Malto zelfs van ‘geen bier en toch biersmaak’. Dat wijst allemaal in de richting van een ersatz. Maar zelfs voor zo’n ‘innovatief’ product toonde het publiek, dat zich inmiddels van bier had afgekeerd, geen interesse. Na de oorlog stierf Malto een roemloze dood. Ook van Tivoli Lager was toen geen spoor meer.
Phoenix zelf promootte Malto op etiketten, affiches en in advertenties als ‘alcoholvrij’, maar vermeed daarbij opvallend genoeg consequent de toevoeging ‘bier’. Een handelaar uit Arnhem sprak over Malto zelfs van ‘geen bier en toch biersmaak’. Dat wijst allemaal in de richting van een ersatz. Maar zelfs voor zo’n ‘innovatief’ product toonde het publiek, dat zich inmiddels van bier had afgekeerd, geen interesse. Na de oorlog stierf Malto een roemloze dood. Ook van Tivoli Lager was toen geen spoor meer.
Sluikhandel
De winter van
1917-1918 was ondertussen de eerste zonder Nederlands bockbier geweest. Met de
invoering van het rantsoeneringsbesluit van augustus 1917 was bock de facto
afgeschaft.
De
werkelijkheid bleek op dat gebied echter heel vloeibaar. Op 13 mei 1918 klopte de Oost Java Restauratie in Soerabaja zich op de borst in de krant Het Nieuws van den Dag voor
Nederlandsch-Indië: ‘Wij schenken Echt Hollandsch BOCK BIER van de bekende
groote bierbrouwerij “De Amstel" te Amsterdam.’ Blijkbaar hadden de
hoofdstedelijke brouwerijen een soort achterdeur naar Indië,
want later meldde hetzelfde restaurant geregeld: ‘Wij schenken nog steeds echt
Hollandsch Pilsener Bier’. Dat bleek van de Koninklijke Nederlandsche
Beijersch-Bierbrouwerij te komen.
Deze brouwerijen produceerden dus nog wel degelijk iets anders dan slap oorlogsbier, alleen reserveerden ook zij dat liever voor de lucratieve koloniën. En het transport daarheen bleek soms te lukken. De brouwerijenbond keurde deze handel kennelijk goed, want anders zou er
niet openlijk mee zijn geadverteerd. De bond kon niet veel anders: het zou tot onmogelijke toestanden hebben geleid als dit bier toch ook in Nederland zou zijn aangeboden. Toch is het achteraf schokkend te noemen dat brouwerijen tegen de rantsoenering in kwaliteitsbier brouwden en dat hun belangenorganisatie de handel daarin oogluikend toestond. Ook in 1919 bood de Oost Java Restauratie geregeld bock uit
Nederland aan. Maar ach, wie in Holland zou er van die overzeese weelde hebben geweten?
Ondertussen ging de winter van 1918-1919 daar weer voorbij zonder bockbierseizoen. Na de Wapenstilstand van 11 november 1918 kwamen er vrij vlot weer mout en goed bier beschikbaar, maar om een voorraad bockbier klaar te maken was dat te kort dag.
Ondertussen ging de winter van 1918-1919 daar weer voorbij zonder bockbierseizoen. Na de Wapenstilstand van 11 november 1918 kwamen er vrij vlot weer mout en goed bier beschikbaar, maar om een voorraad bockbier klaar te maken was dat te kort dag.
Bock back
Pas eind november 1919 werd er, voor het eerst sinds bijna drie jaar, weer bockbier aangekondigd, door de Enschedese en de Hengelosche Bierbrouwerij. In december 1920 volgden andere, inclusief Van Vollenhoven met ‘Vredes Bokbier’ en de ‘Koninklijke’ uit Amsterdam. De grootste brouwerijen, Amstel en Heineken, kwamen er pas in januari 1920 weer mee. Ook wat de volgorde betreft was de toestand van 1916-1917 daarmee geheel hersteld.
Pas eind november 1919 werd er, voor het eerst sinds bijna drie jaar, weer bockbier aangekondigd, door de Enschedese en de Hengelosche Bierbrouwerij. In december 1920 volgden andere, inclusief Van Vollenhoven met ‘Vredes Bokbier’ en de ‘Koninklijke’ uit Amsterdam. De grootste brouwerijen, Amstel en Heineken, kwamen er pas in januari 1920 weer mee. Ook wat de volgorde betreft was de toestand van 1916-1917 daarmee geheel hersteld.
Dat gold misschien ook wel voor de gevolgen die dit feestelijke, zwaardere bier kon hebben. Op 2 februari veroorzaakte een ‘krachtig gebouwd’ heerschap een zakelijke caféruzie in Rotterdam. Deze, de veertigjarige koopman R.W.N.P., had daarbij een medebezoeker geschopt en geslagen. ‘Hij zou toen tien glazen bockbier hebben opgehad,’ reconstrueerde het Rotterdamsch Nieuwsblad van 24 april de zaak.
Inderdaad: de bock was met recht weer los in Holland.
Leerzaam!
BeantwoordenVerwijderenZeer interessant. Ik neem aan dat bockbier tijdens de 2e wereldoorlog eveneens "onder vuur" lag?
BeantwoordenVerwijderenThnx. Dat is inderdaad de tweede bockbierloze periode geweest. Staat al wat uitvoeriger in mijn boek, vooral omdat WOII er in onze geschiedenis meer 'toe doet' dan WOI.
Verwijderen